Teyler Net

Behind the scenes of the Teylers Museum

651- Verslag van dr. Chris Smeenk: De dolfijn van Van Breda

Op vrijdag 11 juli 2014 bezocht ik de bibliotheek van Teylers Museum en raadpleegde daar het archief van J.G.S. van Breda (directeur Teylers Museum van 1839 tot 1864) en de Histoire naturelle des mammifères van I. Geoffroy-Saint-Hilaire & F. Cuvier (vierde deel, aflevering 67, 1833). Het ging om twee vragen.

 

(1) In 1829 beschreef Van Breda, in de “Nieuwe Verhandelingen” van het Koninklijk Nederlandsch Instituut, een door hem onderzochte dolfijn die in 1825 door Georges Cuvier in Parijs was onderkend als onbeschreven soort, op grond van de tekeningen die Van Breda hem toonde. In 1828 gaf Lesson deze soort de naam Delphinus bredanensis (thans Steno bredanensis). Van Breda publiceert deze tekeningen: een nogal primitieve afbeelding van het dier zelf, en een goede tekening van de schedel; hij verzuimt echter de vindplaats te vermelden. Algemeen wordt aangenomen dat deze dolfijn niet ver van de Belgisch/Nederlandse kust was gevangen, in het mondingsgebied van de Schelde. Het gaat dan om het enige exemplaar van deze zuidelijke soort, dat ooit in de Noordzee is gevonden.

 

Gezien het ontbreken van documentatie, wordt nog steeds betwijfeld of het door Van Breda onderzochte dier inderdaad uit de Noordzee afkomstig was. Voor de komende atlas van Nederlandse zoogdieren proberen wij zo veel mogelijk historische gegevens te achterhalen en te controleren. In de biografie over Van Breda door Breure & De Bruijn (1979) wordt verwezen naar een map in het archief van Teylers Museum, waarin zich correspondentie over deze vondst bevindt.

 

Deze map (zie foto hierboven) heb ik ingezien. Ze bevat slechts twee stukken over deze kwestie (plus een overdruk van het gepubliceerde artikel uit 1829). Het eerste, gedateerd 6 december 1828, geeft het commentaar van twee referenten die Van Breda’s manuscript hadden beoordeeld, kennelijk op verzoek van de redactie van het tijdschrift: C.G.C. Reinwardt en W. Vrolik. Beiden stellen verschillende wijzigingen voor en dringen er sterk op aan, dat Van Breda de vindplaats publiceert. Van Breda antwoordt in een (concept-)brief, kennelijk gericht aan de redactie, gedateerd 10 maart 1829. Hij geeft daarin aan welke voorstellen tot wijziging hij overneemt, maar gaat met geen woord in op de wens van de referenten om de vindplaats te vermelden. De redactie van de “Nieuwe Verhandelingen” heeft vervolgens het artikel zonder dit gegeven gepubliceerd – een hoogst merkwaardige en onbevredigende gang van zaken. De herkomst van het dier blijft dus onvermeld. Wel noemt Schlegel in zijn boek over de zoogdieren van Nederland (1862) de mond van de Schelde als vindplaats. Schlegel en Van Breda waren collega’s in Leiden en hebben gezamenlijk over walvisachtigen gepubliceerd. Van Breda moet hem dit gegeven hebben verschaft, maar de onzekerheid blijft hangen.

 

(2) G. Cuvier (1825) vermeldt ook een tweede vondst van deze nieuwe soort, op grond van een tekening die hij had ontvangen uit Brest in Bretagne. Deze opgave wordt echter betwijfeld door Robineau (2005) in diens overzicht van de Cetacea van Frankrijk, op grond van het feit dat de oorspronkelijke tekening verloren is gegaan. Robineau vermeldt echter niet dat deze tekening was gereproduceerd in een gekleurde plaat in het monumentale werk van Isidore Geoffroy-Saint-Hilaire & Frédéric Cuvier (de broer van Georges): Histoire naturelle des mammifères (aflevering 67, 1833) en daarna nog eens in verkleinde, ongekleurde vorm in een ander werk van F. Cuvier (1836) over de Cetacea.

De gekleurde plaat en bijbehorende tekst heb ik bekeken: het betreft hier onmiskenbaar dezelfde soort Steno bredanensis, dus de vondst bij Brest moet als betrouwbaar worden beschouwd. Het wekt verbazing dat de Franse onderzoeker Robineau, die verder goed ingevoerd is in historische publicaties, deze platen kennelijk over het hoofd heeft gezien.

 

Er zijn dus in of rond 1825 tenminste twee exemplaren van Steno bredanensis afgedwaald naar noordelijke wateren, hoewel de vondst van Van Breda met enige geheimzinnigheid omgeven blijft.

 

Met mijn hartelijke dank aan Teylers Museum voor de hulp bij het raadplegen van archief en bibliotheek.

 

Dr. C. Smeenk

Oud-conservator zoogdieren

Rijksmuseum van Natuurlijke Historie (thans Naturalis), Leiden

Foto's: H. Voogd

 

Views: 302

Comment

You need to be a member of Teyler Net to add comments!

Join Teyler Net

© 2018   Created by H.Voogd.   Powered by

Badges  |  Report an Issue  |  Terms of Service

google30c3dae5c902f922.html